Bron: https://boekestijngeopolitics.substack.com | Arend Jan Boekestijn, 1 september 2026

Bontenbal gooit de knuppel in het hoenderhok
Gisteravond toen ik thuis kwam van het zwemmen boog ik mij over de Elsevier lezing van CDA leider Bontenbal. Mijn hart maakte een sprongetje toen ik de volgende passage las:
“Nederland is nog altijd een relatief gelijk land. De inkomensverschillen zijn internationaal gezien beperkt, maar onder die cijfers verandert er wel degelijk iets. Vermogen wordt steeds belangrijker voor de kansen die je in het leven krijgt.
De rijkste 10 procent van de huishoudens bezit bijna de helft van het totale vermogen. Een groot deel daarvan zit in huizen, ondernemingen en erfenissen. Daardoor wordt het steeds bepalender in welk gezin je wordt geboren. Dat raakt vooral jongeren. Zij moeten langer wachten op een woning. Harder sparen voor een eerste huis. En tegelijk de verzorgingsstaat van morgen dragen. Terwijl een deel van de oudere generatie heeft kunnen profiteren van sterke vermogensgroei.
Daarom moeten we onszelf een ongemakkelijke vraag stellen: Hebben we bij de inrichting van onze samenleving voldoende oog voor de generatie die nu aan haar volwassen leven begint? Ik denk het niet. Want een samenleving is pas echt veerkrachtig als jonge mensen het gevoel hebben dat zij iets kunnen opbouwen. Dan denk ik aan de mogelijkheid om te studeren, om een eigen huis te bemachtigen, om samen met je partner een eigen leven op te bouwen, maar ook aan een toekomstperspectief met een aarde die leefbaar blijft.”
Zo die Bontenbal durft. Op een VVD congres zou hij direct worden opgeknoopt aan de hoogste boom.
Die zinnen kwamen ook bij mij hard aan. Ik heb niet alleen intellectueel heel veel aan mijn ouders te danken maar ook financieel. Mijn vader kocht zijn eerste huis voor 30.000 gulden en verkocht zijn laatste huis voor 1,7 miljoen. Tsja, dan worden de kinderen vanzelf rijk. Veel van de studenten met wie ik in de collegezaal zat hadden dat voordeel niet. Sommigen van hen waren misschien wel begaafder dan ik. Wie zal het zeggen?
Mijn lieve vader kocht een appartement in de Pijp in Amsterdam voor zijn kinderen die allemaal gingen studeren in de hoofdstad. Hij betaalde voor dat appartement slechts 30.000 gulden. Mijn jongste broer kreeg dat appartement kocht de zolder erbij, verbouwde de hele zaak en verkocht het ensemble voor een half miljoen. Van dat geld kocht hij een kast van een huis in Bussum dat nu 1,7 miljoen euro waard is. Kassa.
Jona van Loenen publiceert over drie weken zijn boek De babyboomerbiljoenen. Nederland verwordt volgens hem van een meritocratie naar een samenleving waarin het vermogen van je ouders je kansen bepaalt. Het maakt nogal wat uit of je ouders huren of kopen.
Wie ouders met een koopwoning heeft, erft niet alleen spaargeld, maar ook decennia huizenprijsstijging en aflossing. De woningmarkt beloont immers bezitters. Ouders kunnen ook nog eens helpen vóór hun overlijden. Schenking, lening, garantstelling of geld voor de kosten koper. Het gevolg is dat het kind kan kopen. Wie eerder koopt, begint zelf vermogen op te bouwen en profiteert van eventuele verdere prijsstijgingen. Zie hier de geboorte van een cumulatief voordeel.
Een kind van huurders moet met zijn of haar loon sparen, terwijl de huizenprijzen en huren ondertussen de pan uit rijzen. Het verschil tussen beide groepen wordt hierdoor wel heel groot. Het gevolg is dat twee mensen met hetzelfde talent, dezelfde opleiding en hetzelfde salaris toch totaal verschillende vermogensposities kunnen krijgen vanwege hun ouders. We wilden toch gelijke kansen voor mensen met vergelijkbare talenten?
Van Loenen trekt dat door naar erfenissen. Hij stelt dat Nederlandse babyboomers ongeveer €1 biljoen bezitten en verwijst naar een raming van circa €240 miljard aan erfenissen in de komende tien jaar. Ongeveer de helft van de erfenissen gaat naar de rijkste 10 procent.
Het gaat dus niet alleen om de vraag of iemand een erfenis “verdiend” heeft. Het fundamentelere probleem is dat toegang tot kapitaal vervolgens bepaalt hoeveel nieuw inkomen en vermogen iemand kan genereren. Een erfenis van €200.000 is dus niet alleen €200.000 ongelijkheid. Dat vermogen kan iemand twintig jaar eerder toegang geven tot een koopwoning en daarmee tot een hele toekomstige stroom aan vermogensopbouw.1
Van Loenen zit dus dicht bij Thomas Piketty. Indien rendement op vermogen en vermogensoverdracht hoger is dan inkomen uit arbeid, wordt afkomst opnieuw bepalender voor de maatschappelijke positie. Het huur/koopverschil is daarvan in Nederland een van de meest schrijnende voorbeelden.
Een belangrijk tegenargument is natuurlijk dat wij niet weten of het zo blijft dat het rendement op vermogen en vermogensoverdracht belangrijker blijft dan inkomen uit arbeid. Als over 20 jaar straks vele rijke bejaarden er niet meer zijn komen er heel veel prachtige huizen op de markt en dat zal ongetwijfeld de prijs verlagen.
Toch blijft er iets knagen. Stel dat een gegoede familie in 1680 een prachtig grachtenpand laat bouwen in Amsterdam. Hoeveel is dat nu wel niet waard? Interessant genoeg is de waarde van zo’n pand pas na 1945 enorm gaan stijgen. Piet Eichholtz reconstrueerde voor de Herengracht huizenprijzen vanaf 1628. In reële termen was de waarde van zijn index in 1973 slechts ongeveer twee keer zo hoog als in 1628. De spectaculaire structurele stijging zit vooral in de naoorlogse periode. Vanaf 1945 bedroeg de gemiddelde reële prijsstijging namelijk ongeveer 3,2% per jaar.1
Stel dat een koopman in 1680 voor veel geld een grachtenhuis laat bouwen. Zijn nakomelingen houden dat pand generaties lang aan. Gedurende tweeënhalve eeuw worden ze daar helemaal niet slapend rijk van. Ze krijgen oorlogen, economische neergang, belastingen, onderhoud, funderingsproblemen, perioden van neergang en mogelijk lage of negatieve reële rendementen voor hun kiezen. Dat past naadloos bij Eichholtz’ bevinding dat Amsterdamse huizenprijzen over zeer lange perioden reëel betrekkelijk vlak waren.
Na 1945 gebeurt er iets bijzonders. Dezelfde vierkante meters worden ineens schaarser en duurder. Bevolkingsgroei, urbanisatie, stijgende inkomens, hypotheekfinanciering, fiscale stimulansen, ruimtelijke beperkingen en uiteindelijk de aantrekkelijkheid van centrum-Amsterdam duwen de grond- en huizenprijzen omhoog.
De familie heeft die waardestijging dus niet ‘verdiend’ in de gebruikelijke betekenis van het woord. Zij heeft het oorspronkelijke bezit evenmin cadeau gekregen. Daar zit volgens mij precies het punt dat bij Van Loenens analyse kan gaan knagen. Er zijn namelijk drie verschillende dingen die te gemakkelijk op één hoop worden gegooid.
Hoe is het bezit verkregen? Heeft iemand in 1680 hard gewerkt, risico genomen en vervolgens een huis laten bouwen? Waarom is het bezit tegenwoordig zoveel waard? Komt dat voor een groot gedeelte door ontwikkelingen waarvoor de eigenaar niets heeft gedaan? De groei van Amsterdam, publieke infrastructuur, schaarste en de woningmarkt? Ten slotte heeft het achter-achter-achterkleinkind echt recht op dat vermogen?
Dat derde punt is het eigenlijke probleem van de erfocratie. Van Loenen hoeft namelijk helemaal niet te bewijzen dat de voorouders het vermogen onrechtmatig hebben verkregen. Zijn sterkste argument is iets anders. Waarom moet iets wat in 1680 is gebeurd in 2026 bepalen hoeveel kansen twee kinderen hebben?
Neem twee mensen van 30 met exact hetzelfde IQ, opleiding, baan en salaris. De ene krijgt een aandeel in een Amsterdams grachtenpand van €4 miljoen. De ouders van de andere wonen al veertig jaar in een sociale huurwoning. Hun kinderen erven niet zoveel. Die ongelijkheid zegt echter vrijwel niets over de verdiensten van beide dertigers. Verdienste is dus niet doorslaggevend.
Er is echter óók een tegenargument. Het recht om iets aan je kinderen na te laten is zelf onderdeel van eigendom. Als ik mijn inkomen mag besteden aan een vakantie, een Porsche of champagne, waarom zou ik het dan niet mogen bewaren en aan mijn kinderen geven? Dat is de klassiek-liberale tegenwerping tegen een al te eenvoudige kritiek op erfenissen. Een andere tegenwerping is dat over dit bedrag al belasting is betaald. Er wordt echter over van alles al belasting betaald.
Ik heb van mijn vader een aanzienlijk bedrag geërfd. Ik heb mij vaak afgevraagd of ik daar nu recht op heb. Mijn vader was een uitzonderlijk begaafd man die veel geld heeft verdiend. Hij heeft het echter verdiend. Niet ik. Betekent dat dan dat de het geld naar de staat moet gaan? Tsja dat is ook weer zo wat.
Het echte vraagstuk is niet of geërfd vermogen verdiend is. De veel interessantere vraag is een andere. Hoeveel invloed is maatschappelijk aanvaardbaar dat het vermogen van voorouders heeft op de levenskansen van mensen die eeuwen later worden geboren. Dat is echt een interessante vraag. Daar zouden VVD-ers ook eens over kunnen nadenken.
Het grachtenpand uit 1680 is daarvoor nog steeds een mooi voorbeeld. Het laat zien waarom eigendom moreel verdedigbaar kan zijn én tegelijkertijd erfelijke vermogensongelijkheid problematisch kan worden. Die twee stellingen zijn helemaal niet met elkaar in tegenspraak. Eigendom dient namelijk wel degelijk beschermd te worden.
Cruciaal is dat de enorme naoorlogse huizenvermogens voor een belangrijk deel grondrente zijn. Dan komen we bij David Ricardo (1772 tot 1823) Henry George (1839 tot 1897) en zelfs Adam Smith (1723 tot 1790). Dáár wordt de kritiek op huizenvermogen economisch veel scherper dan bij de simpele term ‘onverdiend’.
Adam Smith concludeerde al dat de stad de grondeigenaar rijker maakt. Hij maakte al een onderscheid tussen het rendement op arbeid en kapitaal enerzijds en grondrente anderzijds. Hij constateerde bovendien dat grond dicht bij een stad meer huur oplevert dan even goede grond verder weg. Indien een samenleving rijker en productiever wordt, stijgt bovendien de reële grondrente mee. De eigenaar profiteert dus van vooruitgang die voor een belangrijk deel door anderen wordt veroorzaakt.1
In 1680 betaalt de koopman voor grond, metselaars, timmerlieden, natuursteen en dergelijke. Dat is gewoon kapitaal dat hij uit eerder verdiend vermogen investeert. Vervolgens betaalt de familie eeuwenlang onderhoud, belastingen en reparaties. Daar zit weinig “onverdiends” aan. Het is gewoon keurig in orde.
Stel nu echter dat Amsterdam vervolgens spoorwegen krijgt, riolering, universiteiten, musea, goed openbaar bestuur, miljoenen inwoners en bezoekers, succesvolle bedrijven. Uiteindelijk ontstaat er een enorme internationale vraag naar woningen in de grachtengordel. De familie krijgt die waardevermeerdering gewoon in de schoot geworpen. Een deel van de waarde ervan gaat in de prijs van de vierkante meters grond. Dat was de reden waarom de linksliberalen in Amsterdam aan het einde van de 19e eeuw de erfpacht bedachten. Zij hadden een punt maar ik herinner mij nog goed dat op VVD congressen het woord erfpacht alleen al de stoppen deed doorslaan. Van Riel beschouwde de links-liberalen niet eens als liberalen.
David Ricardo maakt de analyse nog scherper. Grond krijgt rente omdat grond niet onbeperkt beschikbaar is en doordat locaties in kwaliteit uiteenlopen. Hij noemt zelfs expliciet het voordeel van ligging.2 Neem twee identieke panden. Grachtenpand A staat aan de Herengracht. Grachtenpand B staat fysiek identiek ergens waar vrijwel niemand wil wonen. De kosten van bakstenen, deuren en balken kunnen vrijwel identiek zijn. Toch kan A veel meer waard zijn.
Die extra miljoenen vertegenwoordigen natuurlijk niet de productiviteit van het huis. Ze vertegenwoordigen vooral de schaarste van de locatie. En dat sluit mooi aan bij Eichholtz’ onderzoek. Over de extreem lange periode 1628–1973 steeg de reële Herengrachtindex uiteindelijk maar tot ongeveer tweemaal het niveau van 1628. Maar na de Tweede Wereldoorlog nam de gemiddelde reële stijging toe met maar liefst ongeveer 3,2% per jaar.3 Tel uit je winst!
Eeuwenlang was het bezit van dat pand helemaal niet zo winstgevend. De uitzonderlijke vermogenssprong ontstond pas na 1945 toen Amsterdam nationaal en internationaal floreerde.
Hier kan Henry George ons helpen. Henry George (1839–1897) was een Amerikaanse econoom, journalist en politiek denker, bekend door zijn boek Progress and Poverty uit 1879. Hij probeerde een verklaring te vinden voor het feit dat een samenleving steeds rijker en productiever kon worden, terwijl armoede en ongelijkheid toch bleven bestaan.
Zijn antwoord was dat het om grondbezit ging. Volgens George stijgt de waarde van grond meestal niet doordat de eigenaar iets produceert, maar doordat de omgeving zich ontwikkelt. Er komen wegen, bedrijven, bewoners, infrastructuur en publieke voorzieningen. Die waardestijging vloeit vervolgens grotendeels naar de grondeigenaar.
Om die reden stelde hij een belasting op de grondwaarde voor. Hij wilde vooral de onbebouwde waarde van de locatie belasten, niet het huis dat iemand erop bouwt, en zo min mogelijk arbeid en ondernemerschap.
Henry George vraagt zich af wie die locatiepremie eigenlijk heeft gecreëerd. Zijn antwoord is niet hoofdzakelijk de eigenaar, maar vooral de gemeenschap. In Progress and Poverty schrijft hij dat de waarde van grond niet de beloning is voor productie zoals de waarde van gebouwen dat wel is. Grondwaarde ontstaat volgens hem door de groei die door de gemeenschap als geheel is voortgebracht.4
Om deze reden wilde George ook niet arbeid, ondernemerschap of gebouwen belasten. Hij wilde juist de onverbeterde grondwaarde belasten. Wat zou het perceel waard zijn als het gebouw er niet stond?
Het interessante van George is dus dat hij onze voorouders niet verwijt dat zij dat huis niet hebben verdiend. Hij zegt dat de familie de opbrengst mag houden van wat zij heeft gebouwd en verbeterd. Hij vraagt zich alleen af waarom de familie recht zou hebben op de waardestijging van de grond die de rest van de samenleving heeft veroorzaakt.
Van Loenen kijkt vooral naar wie het vermogen krijgt. Het gaat van ouders naar kinderen. George vraagt zich vooral af waar het vermogen vandaan komt. Maatschappelijke ontwikkeling leidt tot hogere grondwaarde en daar profiteert toch echt de grondeigenaar van.
Stel dat het grachtenpand inmiddels €5 miljoen waard is. Misschien bestaat daarvan hypothetisch €1 miljoen uit het gebouw en €4 miljoen uit de locatie. Dan kun je drie totaal verschillende standpunten innemen.
Allereerst een liberaal standpunt. De familie heeft ooit rechtmatig gekocht en onderhouden. Eigendom houdt ook in dat waardestijging en vererving aan de eigenaar toekomen.
Dan is er ook het Van Loenen/Piketty standpunt. Misschien is overerving allemaal rechtmatig, het wordt echter maatschappelijk problematisch wanneer een nakomeling daardoor miljoenen krijgt en iemand met dezelfde talenten met huurouders niets.
Ten slotte, het standpunt van George. Jullie stellen de verkeerde vraag. Belast niet primair de erfenis. Belast de €4 miljoen locatiegrondslag waarvan de waarde door Amsterdam als gemeenschap is gecreëerd. Een Georgeaanse grondbelasting kan in sommige opzichten filosofisch beter bij een liberale meritocratie passen dan een zware erfbelasting.
De redenering is dan namelijk: wat jij bouwt, spaart, onderneemt en investeert, mag je houden en nalaten. De waardestijging die voortvloeit uit het exclusieve bezit van een schaars stukje Nederland mag de gemeenschap echter gedeeltelijk terughalen.
Dat is volgens mij precies waarom het voorbeeld van het grachtenpand instructief is. We dienen vier begrippen uit elkaar te houden: verdiend vermogen, vermogenswinst, grondrente en erfenis.7
De Nederlandse koopwoningmarkt van 1990–2026 laat een gigantische herverdeling zien van huurders en toekomstige kopers naar bestaande grondeigenaren. Dan wordt meteen duidelijk waarom het verschil tussen huurouders en koopouders zo groot kan worden. Dit alles zonder dat je huiseigenaren het vuur aan de schenen te leggen.
Over dit onderwerp raken wij niet zo gauw uitgepraat. Kom 25 september naar Arminius in Rotterdam8 en meng u zich in deze belangrijke discussie.
- Jona van Loenen, De babyboomerbiljoenen (Spectrum, 2026). Van Loenen stelt dat Nederlandse babyboomers circa €1 biljoen aan vermogen bezitten. Hij baseert de raming van de komende erfenisgolf onder meer op berekeningen van UvA-econoom Paul de Beer, die in 2024 becijferde dat in de daaropvolgende tien jaar ongeveer €230–240 miljard zal worden nagelaten. De Beer schatte het totale vermogen van de toenmalige 55- tot 75-jarigen op circa €1.160 miljard. Recent CPB-onderzoek bevestigt bovendien dat vermogende ouders hun kinderen al vóór een erfenis financieel ondersteunen, onder meer bij de aankoop van een woning, en dat de vermogenspositie van ouders steeds sterker samenhangt met die van hun kinderen. Zie ook: https://jonavanloenen.nl/shop?
- https://onlinelibrary.wiley.com/doi/abs/10.1111/1540-6229.00711?
- https://www.gutenberg.org/files/3300/3300-h/3300-h.htm?
- https://www.gutenberg.org/files/33310/33310-h/33310-h.htm?
- https://onlinelibrary.wiley.com/doi/10.1111/1540-6229.00711
- https://www.econlib.org/library/YPDBooks/George/grgPP.html?chapter_num=36
- zie ook het recente boek van Maaike Schoon, Waarom jij geen huis kunt betalen. Het verscheen op 7 april 2026 bij Uitgeverij Pluim en is haar eerste boek
- https://arminius.nl/programma/babyboomerbiljoenen/
